· 

Laddertraining deel 2: Waarom wij geen ladders gebruiken in de fysieke training

Door Eddy Idrizovic

 

Dit stuk is een vervolg op Laddertraining deel 1: Agility en het gebruik van ladders in de training

 

Waar schiet laddertraining tekort?
Verplaatsing

Een belangrijk verschil tussen ladderoefeningen en passeeracties is dat bij ladderoefeningen het massamiddelpunt van het lichaam nauwelijks verplaatst, terwijl bij passeeracties het juist de bedoeling is om in een zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk te verplaatsen. Dit is een zeer belangrijk onderscheid dat er gemaakt moet worden. Het is niet mogelijk om voorbij de verdediger te komen door alleen de voeten los van het lichaam te verplaatsen, dan sta je namelijk nog op dezelfde plek. De plaatsing van de voet moet gevolgd worden door een harde afzet, waardoor het gehele lichaam verplaatst kan worden. Verplaatsing van het lichaam vereist ook meer kracht en inspanning dan alleen de benen verplaatsen. Aangezien lichaamsverplaatsing energie kost, en de sporter op zoek gaat naar de meest efficiënte manier om een beweging uit te voeren, dagen we sporters met laddertraining juist uit om te leren hun lichaam zo min mogelijk te verplaatsen tijdens de oefening. In dit opzicht is laddertraining redelijk contraproductief, aangezien het doel van passeren juist verplaatsen is. Het doel van oefenen op passeren zou dan ook verplaatsen moeten zijn, waardoor de sporter wordt uitgedaagd om efficiënter te leren afzetten door zijn lichaam in de juiste positie te zetten (richting van krachtlevering).

 

Houding
Omdat het lichaam bij laddertraining nauwelijks verplaatst is er ook een zeer groot verticaal component aan de richting van krachtlevering bij de afzet, terwijl bij passeeracties juist zo veel mogelijk kracht in horizontale richting moet worden geleverd (je wil naar voren of opzij duwen, niet omhoog). Hierdoor zijn er grote verschillen in de houding van de sporter tussen de twee situaties. Goede houding en positionering van de lichaamsdelen zijn onmisbare onderdelen van efficiënte beweging en de bewegingen in de sport zijn fundamenteel verschillend van bewegingen op de ladder. Hierdoor kunnen er zeer grote vraagtekens gezet worden bij het gebruik van deze methode in de training voor sportprestatie.

 

Hoge krachten
Zoals hierboven genoemd gaat passeren in de sport om snelle verplaatsing van het lichaam, terwijl ladders snelle verplaatsing van de voeten uitdagen. Bij passeren moeten er dan ook hogere krachten geleverd worden, aangezien een grotere versnelling resultaat is van een hogere kracht binnen het beschikbare tijdsinterval. Kracht zorgt voor versnelling en versnelling zorgt voor verplaatsing. Laddertraining schiet dus tekort in het nabootsen van de hoge krachten die tijdens de sport geleverd/opgevangen moeten worden.

 

 

Voetenwerk in de wedstrijd

Voetenwerk met ladders is redelijk algemeen, terwijl elke sport een redelijk specifieke set van voetenwerkpatronen heeft. Voetenwerk in ladders is dan de absolute motorische basis, aangezien je geen specifieke patronen kunt uitvoeren als je niet in staat bent om je voet te verplaatsen of je romp te draaien. Als de sporter hier voldoende vaardig in is, kan er een specifieker voetenwerkpatroon worden aangeleerd zoals de cross-stap in basketbal. Een beweging kunnen uitvoeren is vervolgens niets waard als de sporter niet weet hoe en wanneer hij de beweging in een sportsetting moet toepassen. Door blootgesteld te worden aan veel verschillende situaties krijgt de sporter de kans om te leren welke delen van de beweging constant blijven en welke delen situatieafhankelijk variëren. Uiteindelijk is het laatste onderdeel het gene dat voor het grootste deel de prestatie in de sport zal bepalen. Het is dus een grote aanname om te beweren dat eindeloos algemene voetenwerkpatronen op de ladder uitvoeren zal bijdragen aan het uitvoeren van specifieke patronen in de chaotische setting van de wedstrijd.

 

Conclusie
We kunnen geen algemene uitspraken doen over de effecten van laddertraining aangezien de ladder een voorwerp is en geen trainingsprincipe. Als we kijken naar de vorm van training waarbij het doel is om de voeten zo snel mogelijk te verplaatsen zonder dat het lichaamszwaartepunt een grote verplaatsing ondergaat, kunnen er wel een aantal uitspraken worden gedaan. Deze vorm van training kan bijdragen aan het verbeteren van de coördinatie van algemene beenbewegingen en kan vooral bij kinderen zorgen voor verbetering van het vermogen om van richting te veranderen. De ladder kan ook in de warming-up gebruikt worden om de sporter op verschillende manieren motorisch uit te dagen en tegelijkertijd voor te bereiden op zwaardere inspanning die erop volgt. Toch schiet laddertraining in veel opzichten tekort in het trainen voor richtingsverandering. Het doel van richtingsverandering in de sport is verplaatsing van het lichaam (effectief afremmen gevolgd door een explosieve verplaatsing), terwijl het bij het uitvoeren van de meeste ladderoefeningen juist effectief is om het lichaam minimaal te verplaatsen. Dit is een zeer belangrijk verschil, aangezien passeren niet mogelijk is zonder verplaatsing. Door dit verschil zijn de krachten die de sporter moet leveren tijdens passeerbewegingen vaak vele malen hoger dan de krachten die ervaren worden tijdens laddertraining en is de houding van de sporter ook verschillend tussen de twee bewegingen. Hierdoor is deze vorm van training niet optimaal voor het verbeteren van het vermogen om van richting te veranderen.

 

 

 

 

 1.      Young WB, Dawson B, Henry GJ. Agility and Change-of-Direction Speed are Independent Skills: Implications for Training for Agility in Invasion Sports. International Journal of Sports Science & Coaching, 2015, 10(1). 159-169 

 

2.      Young, W., & Farrow, D. (2013). The importance of a sport-specific stimulus for training agility. Strength & Conditioning Journal, 35(2), 39-43.

 

3.      Smits-Engelsman, B., Aertssen, W., & Bonney, E. (2019). Reliability and Validity of the Ladder Agility Test Among Children. Pediatric exercise science, (00), 1-9.

 

4.      Trecroci, A., Milanović, Z., Rossi, A., Broggi, M., Formenti, D., & Alberti, G. (2016). Agility profile in sub-elite under-11 soccer players: is SAQ training adequate to improve sprint, change of direction speed and reactive agility performance?. Research in Sports Medicine, 24(4), 331-340.

 

5.      Kusnanik, N., & Rattray, B. (2017). Effect Of Ladder Speed Run And Repeated Sprint Ability In Improving Agility And Speed Of Junior Soccer Players. Acta Kinesiological, 11(1), 19-22.

 

6.      Henz, D., & Schöllhorn, W. I. (2016). Differential training facilitates early consolidation in motor learning. Frontiers in behavioral neuroscience, 10, 199.

 

7.      Beattie, K. (2019). Strength Training for Endurance Runners. In Concurrent Aerobic and Strength Training (pp. 341-355). Springer, Cham.

 

8.      Sheppard, J. M., & Young, W. B. (2006). Agility literature review: Classifications, training and testing. Journal of sports sciences, 24(9), 919-932.


Reactie schrijven

Commentaren: 0